Met het hart kloppend in mijn keel bel ik naar de Sleep Inn, de Utrechtse daklozenopvangplek in de binnenstad.
- Met Simon.
Is er nog plek voor vannacht?
- Even kijken. Er zijn nog vier plekken en je hebt nog een half uur om hier te komen. Voor negen uur.
Ok. Dankjewel. Tot straks.
Ik trek een oude trui en een oude jas aan, ontdoe me van waardevolle spullen en fiets naar 'de sleep'. Onderweg koop ik een biertje om een beetje in de stemming te komen en om te zorgen dat ik wat kleingeld heb. Bij de Sleep Inn is het een drukke boel. Ik sta in de rij met tien anderen, waarvan de meesten een vaste plek hebben. Polen, Tjechen, Marokkanen, Nederlanders, Ieren en Spanjaarden. Ik verstop me een beetje achter een grote rastagozer en wacht op mijn beurt. Ik ben bang om betrapt te worden en kijk een beetje bedrukt. Het knappe meisje achter de balie kijkt me medelijdend aan en ze vraagt of ik nog een bord eten wil. Ze kijkt op de lijst. "Helaas. Je bent nummer 71 en we zitten vol. Maar ik ga nu even bellen met het Leger des Heils om te vragen of daar nog plek is. Je kunt sowieso ergens terecht. "Nee. Ik wil niet bij het Leger des Heils!" Roep ik geschrokken. Ze vraagt niet waarom en zegt dat ik dan naar de NOIZ* kan gaan. Balen. Maar ik kan nu niet meer terug. Er zijn nog vijf mensen die naar de NOIZ moeten en er wordt verteld dat we straks gebracht worden met een busje van het Leger des Heils. Oei. Dat was niet de bedoeling. Ik ben bang dat ik herkend zal worden, maar vertrouw erop dat Maarten, de chauffeur van het busje, mee zal werken. Ik pak in een hoekje mijn schrijfblok uit mijn tas en begin te schrijven. Ik schrijf vaak als ik moet wachten. En nu wil ik niet teveel opvallen. Ik knoop geen gesprekken aan met de mensen die om mij heen zitten te eten. Plotseling komt er een Poolse jongen met een capuchon op me af. Hij wil het blok van me afpakken en vraagt: "Why are you writing? I know you! You are not good!" Ik weet dat net te voorkomen en stop de schrijfspullen gauw in mijn tas. "Thats my business" is mijn botte antwoord. Een andere medewerker is nu ook alert. Ik word geobserveerd. De Poolse jongen loopt naar buiten en smoest wat met de medewerker, die nu voortdurend mijn kant op kijkt. "Je ziet er niet uit als een dakloze. Ik vind je nogal verdacht" zegt ze tegen me. Ik sta op het punt om alles op te biechten, maar ze vraagt niet door. Het busje arriveert en chauffeur Maarten kijkt me verbaasd aan. Ik sis dat hij net moet doen alsof hij me niet herkent. Ik ga in de kofferbak van het busje met Pieter, die net een time-out heeft gekregen van de medewerker omdat hij te handtastelijk naar haar was. Het meisje van de Sleep tekent een hartje op de achterruit van het busje voordat we wegrijden. Pieter is dronken en schreeuwt over zijn FC-Utrechtsjaal, over de buitenlanders in de stad die veel respect voor hem hebben. Ik heb geen zin om te kletsen en zeg dat ik misselijk ben. Bij de Noiz worden geen vragen gesteld. Ik krijg een bed op een kamer met zeven anderen. Ik blijf nog even in de huiskamer en blader in een motorblad dat op een tafel ligt. Er zitten nog zo'n twintig mensen tv te kijken, te roken en te blowen. De Poolse jongen is ook meegekomen en hij gaat naast mij aan een tafeltje zitten. Hij vertelt dat hij een alcohol- en drugsprobleem heeft. Ik vraag waarom hij niet naar zijn familie in Polen gaat tijdens de kerstdagen. Hij heeft geen geld en hij heeft teveel problemen. Ik vraag waarom hij zijn capuchon ophoudt. Hij antwoordt goudeerlijk: "because I steal".
Ik ga op tijd naar bed en staar over het water van de Keulse Kade. De straat is verlaten. Aan de lantaarn voor het raam hangen dikke besneeuwde spinneslierten. Ze glinsteren in het licht. Het is vannacht de langste nacht van het jaar. De witte wereld wordt beschenen door een bleek maantje. Mijn bed is opgemaakt door de medewerkers van de Noiz. Het bed is prima. Ik lig op een plastic waterproof matras. Mijn kussen ruikt een beetje naar oud zweet. Mijn onderbuurman is nogal bewegelijk en af en toe laat hij een scheet. Ik zie de schimmen van de andere mannen op mijn kamer. Af en toe komt er iemand bij. Tegenover mij valt iemand met zijn kleren aan in slaap. Niemand bemoeit zich met elkaar. Als iedereen slaapt, blijf ik nog een tijdje wakker liggen.
Zo voelt het dus om genadebrood te eten en als zwerver te worden behandeld. Dit was wat ik wilde weten. Daarom doe ik dit. Het voelt heel gewoon. Medewerkers zijn aardig. Ik dacht altijd dat er een lijn liep tussen mij en die anderen. Die anderen waren de daklozen en de zwervers. De mensen die bij het Leger des Heils binnenlopen. Clienten die ik maar al te goed ken, omdat ik er al drie jaar bij het Leger mijn geld verdien als groepsbegeleider. En nu ben ik voor één nachtje over de lijn gestapt. Welke lijn eigenlijk? Een gevoel van vrede zweeft door mijn gedachten en ik val in slaap.
*Nachtopvang in zelfbeheer
zaterdag 22 december 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten