woensdag 26 december 2007
kerstavond in de kroeg
Op kerstavond ging ik bier drinken in café België (sorry mama). Ik werd begroet met een welgemeend ‘vrede op aarde’ door een vrolijke Brabo aan de bar.
- “Heb je nog aan de Heer gedacht vandaag?”
Ik: “Jazeker. Ik ben vanmorgen in de kerk geweest.”
- “De Heer is wat anders dan de kerk”
Ik: “Dat klopt. Maar in de kerk kun je wel nadenken over de Heer.”
- “De woorden van Jezus zijn verdraaid door de mensen en door de kerk. Alles wat je hebt geleerd is niet waar. Het enige dat echt is, is liefde.
Ray had zich bezig gehouden met het christendom en boeddhisme en had ook nog theologie gestudeerd. Zijn metgezel was wat minder spraakzaam. Ik vertelde dat ik geschiedenis studeer en dat ik me ook bezig hield met religieuze vraagstukken. Wat is de waarheid precies? Hoe kun je als je je realiseert dat je gebonden en gevangen bent in het denkpatroon van je eigen traditie onbevooroordeeld oordelen over andere vormen van godsdienst?
- "Mijn vriend, je moet helemaal niet oordelen. Je moet vergeven."
- "Weet je alles is een illusie. Tijd is een illusie. Alles is er altijd al geweest en alles zal er altijd op dit moment zijn.”
Ik sputterde een beetje tegen. Nogal makkelijk om te zeggen dat alles een illusie is. De enige manier waarop je dat kunt zeggen is door middel van de taal, die zelf een onderdeel is van de illusie. Tegelijk moest ik toegeven dat het een bevrijdende gedachte is dat er geen tijd bestaat en dat alles daarom op de een of andere manier al bestemd is, aangezien alles dan slechts in het heden plaatsvindt, zonder de last van toekomst en verleden. Maar leidt een dergelijke houding niet tot apathie en fatalisme? Ik vroeg hoe hij dan dacht over een drugsverslaafde die zijn leven vergooit en elke dag in een soort roes leeft. “Een drugsverslaafde vergooit zijn leven niet minder dan jij.” “Elke drugsverslaafde is weer anders en ik vertrouw erop dat ik de goede dingen tegen iemand kan zeggen als ik in die situatie kom.” “Ik moet even tot tien tellen en niet reageren vanuit mijn eigen ego, maar vanuit de liefde.”
Ik begon het een leuk gesprek te vinden en kwam ook op dreef: “Als alles een illusie is, en je geen lichaam hebt, hoe denk je dan over seks?” “Seks is wel mooi, maar het is maar een zwakke afspiegeling van de goddelijke eenheid” was zijn antwoord. Ik: “En als je zegt dat er geen pijn is, geloof je dan dat Jezus echt geleden heeft?” “Nee, Jezus vergaf degenen die hem kruisigden. Hij is weer opgestaan.” “Er is geen pijn. Er is geen lijden. Er is alleen jij en God. Jij bent Christus. Jij hebt gemeenschap met God.” Ik: “Maar denk je niet dat Jezus echt angst heeft gehad in Getsemaneh? De olijfbomen van Getsemaneh staan er na 2000 jaar nog steeds en ik heb ze met mijn eigen ogen gezien.” Ray: “Er is geen Getsemaneh, er is geen geschiedenis.” Hmm, je kunt wel alles ontkennen, maar ondertussen geniet jij op kerstavond wel van je biertje in de kroeg en volgende week moet je weer aan het werk weer gewoon aan het werk als postbode. “Tja, we moeten roeien met de riemen die we hebben” was zijn repliek, terwijl hij me nog steeds met zijn ogen doorboorde. Ik: “Is dat niet een soort dubbele boekhouding, die je er dan op nahoudt?” Ik verbaasde me over de vrede en de rust die hij uitstraalde, maar kon niet controleren of die verband hielden met de alcohol die hij had genuttigd of dat ze een voortdurende innerlijke gesteldheid weerspiegelden. “Weet je wat ik jammer vind, is dat je nu niet blij wordt, maar dat je droevig kijkt” “Jij vindt het moeilijk om te aanvaarden omdat je last hebt van je eigen ego. Nee, niet wegkijken nu.” “Ik ben niet zo’n goeie leraar, maar als je meer wil weten, moet je het boek Een cursus in wonderen eens lezen.” Degene die dat heeft opgeschreven heeft de bedoeling van de woorden van Jezus écht begrepen. “Ik probeer je dingen uit te leggen die niet uit te leggen zijn” “Je weet dat ik gelijk heb” Hij bleef me aankijken en hamerde er op dat ik mijn perspectief moest omdraaien. “Het enige dat je kunt doen is je denken veranderen.”
Ik nam afscheid met een mengeling van verbazing en verwondering. Had ik nu een engel ontmoet, een verdwaalde gnostische ketter of een halve schizofreen ontmoet?
- “Heb je nog aan de Heer gedacht vandaag?”
Ik: “Jazeker. Ik ben vanmorgen in de kerk geweest.”
- “De Heer is wat anders dan de kerk”
Ik: “Dat klopt. Maar in de kerk kun je wel nadenken over de Heer.”
- “De woorden van Jezus zijn verdraaid door de mensen en door de kerk. Alles wat je hebt geleerd is niet waar. Het enige dat echt is, is liefde.
Ray had zich bezig gehouden met het christendom en boeddhisme en had ook nog theologie gestudeerd. Zijn metgezel was wat minder spraakzaam. Ik vertelde dat ik geschiedenis studeer en dat ik me ook bezig hield met religieuze vraagstukken. Wat is de waarheid precies? Hoe kun je als je je realiseert dat je gebonden en gevangen bent in het denkpatroon van je eigen traditie onbevooroordeeld oordelen over andere vormen van godsdienst?
- "Mijn vriend, je moet helemaal niet oordelen. Je moet vergeven."
- "Weet je alles is een illusie. Tijd is een illusie. Alles is er altijd al geweest en alles zal er altijd op dit moment zijn.”
Ik sputterde een beetje tegen. Nogal makkelijk om te zeggen dat alles een illusie is. De enige manier waarop je dat kunt zeggen is door middel van de taal, die zelf een onderdeel is van de illusie. Tegelijk moest ik toegeven dat het een bevrijdende gedachte is dat er geen tijd bestaat en dat alles daarom op de een of andere manier al bestemd is, aangezien alles dan slechts in het heden plaatsvindt, zonder de last van toekomst en verleden. Maar leidt een dergelijke houding niet tot apathie en fatalisme? Ik vroeg hoe hij dan dacht over een drugsverslaafde die zijn leven vergooit en elke dag in een soort roes leeft. “Een drugsverslaafde vergooit zijn leven niet minder dan jij.” “Elke drugsverslaafde is weer anders en ik vertrouw erop dat ik de goede dingen tegen iemand kan zeggen als ik in die situatie kom.” “Ik moet even tot tien tellen en niet reageren vanuit mijn eigen ego, maar vanuit de liefde.”
Ik begon het een leuk gesprek te vinden en kwam ook op dreef: “Als alles een illusie is, en je geen lichaam hebt, hoe denk je dan over seks?” “Seks is wel mooi, maar het is maar een zwakke afspiegeling van de goddelijke eenheid” was zijn antwoord. Ik: “En als je zegt dat er geen pijn is, geloof je dan dat Jezus echt geleden heeft?” “Nee, Jezus vergaf degenen die hem kruisigden. Hij is weer opgestaan.” “Er is geen pijn. Er is geen lijden. Er is alleen jij en God. Jij bent Christus. Jij hebt gemeenschap met God.” Ik: “Maar denk je niet dat Jezus echt angst heeft gehad in Getsemaneh? De olijfbomen van Getsemaneh staan er na 2000 jaar nog steeds en ik heb ze met mijn eigen ogen gezien.” Ray: “Er is geen Getsemaneh, er is geen geschiedenis.” Hmm, je kunt wel alles ontkennen, maar ondertussen geniet jij op kerstavond wel van je biertje in de kroeg en volgende week moet je weer aan het werk weer gewoon aan het werk als postbode. “Tja, we moeten roeien met de riemen die we hebben” was zijn repliek, terwijl hij me nog steeds met zijn ogen doorboorde. Ik: “Is dat niet een soort dubbele boekhouding, die je er dan op nahoudt?” Ik verbaasde me over de vrede en de rust die hij uitstraalde, maar kon niet controleren of die verband hielden met de alcohol die hij had genuttigd of dat ze een voortdurende innerlijke gesteldheid weerspiegelden. “Weet je wat ik jammer vind, is dat je nu niet blij wordt, maar dat je droevig kijkt” “Jij vindt het moeilijk om te aanvaarden omdat je last hebt van je eigen ego. Nee, niet wegkijken nu.” “Ik ben niet zo’n goeie leraar, maar als je meer wil weten, moet je het boek Een cursus in wonderen eens lezen.” Degene die dat heeft opgeschreven heeft de bedoeling van de woorden van Jezus écht begrepen. “Ik probeer je dingen uit te leggen die niet uit te leggen zijn” “Je weet dat ik gelijk heb” Hij bleef me aankijken en hamerde er op dat ik mijn perspectief moest omdraaien. “Het enige dat je kunt doen is je denken veranderen.”
Ik nam afscheid met een mengeling van verbazing en verwondering. Had ik nu een engel ontmoet, een verdwaalde gnostische ketter of een halve schizofreen ontmoet?
maandag 24 december 2007
kerstgedichten
De Russische dichter Joseph Brodsky (1940-1996) werd in 1972 verbannen uit de Soviet Unie en verhuisde naar Amerika. Brodsky verbaasde zich voortdurend over wat hij zag. Hij heeft een bundeltje kerstgedichten geschreven, in 2005 verschenen bij de Bezige Bij, vertaald door Peter Zeeman. Hier volgen twee fragmentjes.
Tijdens Kerstmis zijn we allen wijzen.
In de supermarkten modder en gedrang.
Lekkernijen voor verlaagde prijzen
Leiden tot een aanval op de toonbank van
Mensen zwoegend met cadeaus: traditioneel
Is men zo zijn eigen koning en kameel.
uit: Voor V.S. (?), 24 december 1971
Kil vaart de avond in je ogen
wijl vlokken op een treinstel landen,
de vrieswind kent geen mededogen
en sluit zich rond je rode handen.
Van avondlichten vloeit de honing,
er hangen zoete nogageuren,
de nachtpastei vormt de bekroning
van 't kerstgebeuren.
uit: Kerstromance, 28 december 1961
http://boeken.vpro.nl/avondlog/bericht/29681735/
Tijdens Kerstmis zijn we allen wijzen.
In de supermarkten modder en gedrang.
Lekkernijen voor verlaagde prijzen
Leiden tot een aanval op de toonbank van
Mensen zwoegend met cadeaus: traditioneel
Is men zo zijn eigen koning en kameel.
uit: Voor V.S. (?), 24 december 1971
Kil vaart de avond in je ogen
wijl vlokken op een treinstel landen,
de vrieswind kent geen mededogen
en sluit zich rond je rode handen.
Van avondlichten vloeit de honing,
er hangen zoete nogageuren,
de nachtpastei vormt de bekroning
van 't kerstgebeuren.
uit: Kerstromance, 28 december 1961
http://boeken.vpro.nl/avondlog/bericht/29681735/
zaterdag 22 december 2007
Een nachtje in de daklozenopvang
Met het hart kloppend in mijn keel bel ik naar de Sleep Inn, de Utrechtse daklozenopvangplek in de binnenstad.
- Met Simon.
Is er nog plek voor vannacht?
- Even kijken. Er zijn nog vier plekken en je hebt nog een half uur om hier te komen. Voor negen uur.
Ok. Dankjewel. Tot straks.
Ik trek een oude trui en een oude jas aan, ontdoe me van waardevolle spullen en fiets naar 'de sleep'. Onderweg koop ik een biertje om een beetje in de stemming te komen en om te zorgen dat ik wat kleingeld heb. Bij de Sleep Inn is het een drukke boel. Ik sta in de rij met tien anderen, waarvan de meesten een vaste plek hebben. Polen, Tjechen, Marokkanen, Nederlanders, Ieren en Spanjaarden. Ik verstop me een beetje achter een grote rastagozer en wacht op mijn beurt. Ik ben bang om betrapt te worden en kijk een beetje bedrukt. Het knappe meisje achter de balie kijkt me medelijdend aan en ze vraagt of ik nog een bord eten wil. Ze kijkt op de lijst. "Helaas. Je bent nummer 71 en we zitten vol. Maar ik ga nu even bellen met het Leger des Heils om te vragen of daar nog plek is. Je kunt sowieso ergens terecht. "Nee. Ik wil niet bij het Leger des Heils!" Roep ik geschrokken. Ze vraagt niet waarom en zegt dat ik dan naar de NOIZ* kan gaan. Balen. Maar ik kan nu niet meer terug. Er zijn nog vijf mensen die naar de NOIZ moeten en er wordt verteld dat we straks gebracht worden met een busje van het Leger des Heils. Oei. Dat was niet de bedoeling. Ik ben bang dat ik herkend zal worden, maar vertrouw erop dat Maarten, de chauffeur van het busje, mee zal werken. Ik pak in een hoekje mijn schrijfblok uit mijn tas en begin te schrijven. Ik schrijf vaak als ik moet wachten. En nu wil ik niet teveel opvallen. Ik knoop geen gesprekken aan met de mensen die om mij heen zitten te eten. Plotseling komt er een Poolse jongen met een capuchon op me af. Hij wil het blok van me afpakken en vraagt: "Why are you writing? I know you! You are not good!" Ik weet dat net te voorkomen en stop de schrijfspullen gauw in mijn tas. "Thats my business" is mijn botte antwoord. Een andere medewerker is nu ook alert. Ik word geobserveerd. De Poolse jongen loopt naar buiten en smoest wat met de medewerker, die nu voortdurend mijn kant op kijkt. "Je ziet er niet uit als een dakloze. Ik vind je nogal verdacht" zegt ze tegen me. Ik sta op het punt om alles op te biechten, maar ze vraagt niet door. Het busje arriveert en chauffeur Maarten kijkt me verbaasd aan. Ik sis dat hij net moet doen alsof hij me niet herkent. Ik ga in de kofferbak van het busje met Pieter, die net een time-out heeft gekregen van de medewerker omdat hij te handtastelijk naar haar was. Het meisje van de Sleep tekent een hartje op de achterruit van het busje voordat we wegrijden. Pieter is dronken en schreeuwt over zijn FC-Utrechtsjaal, over de buitenlanders in de stad die veel respect voor hem hebben. Ik heb geen zin om te kletsen en zeg dat ik misselijk ben. Bij de Noiz worden geen vragen gesteld. Ik krijg een bed op een kamer met zeven anderen. Ik blijf nog even in de huiskamer en blader in een motorblad dat op een tafel ligt. Er zitten nog zo'n twintig mensen tv te kijken, te roken en te blowen. De Poolse jongen is ook meegekomen en hij gaat naast mij aan een tafeltje zitten. Hij vertelt dat hij een alcohol- en drugsprobleem heeft. Ik vraag waarom hij niet naar zijn familie in Polen gaat tijdens de kerstdagen. Hij heeft geen geld en hij heeft teveel problemen. Ik vraag waarom hij zijn capuchon ophoudt. Hij antwoordt goudeerlijk: "because I steal".
Ik ga op tijd naar bed en staar over het water van de Keulse Kade. De straat is verlaten. Aan de lantaarn voor het raam hangen dikke besneeuwde spinneslierten. Ze glinsteren in het licht. Het is vannacht de langste nacht van het jaar. De witte wereld wordt beschenen door een bleek maantje. Mijn bed is opgemaakt door de medewerkers van de Noiz. Het bed is prima. Ik lig op een plastic waterproof matras. Mijn kussen ruikt een beetje naar oud zweet. Mijn onderbuurman is nogal bewegelijk en af en toe laat hij een scheet. Ik zie de schimmen van de andere mannen op mijn kamer. Af en toe komt er iemand bij. Tegenover mij valt iemand met zijn kleren aan in slaap. Niemand bemoeit zich met elkaar. Als iedereen slaapt, blijf ik nog een tijdje wakker liggen.
Zo voelt het dus om genadebrood te eten en als zwerver te worden behandeld. Dit was wat ik wilde weten. Daarom doe ik dit. Het voelt heel gewoon. Medewerkers zijn aardig. Ik dacht altijd dat er een lijn liep tussen mij en die anderen. Die anderen waren de daklozen en de zwervers. De mensen die bij het Leger des Heils binnenlopen. Clienten die ik maar al te goed ken, omdat ik er al drie jaar bij het Leger mijn geld verdien als groepsbegeleider. En nu ben ik voor één nachtje over de lijn gestapt. Welke lijn eigenlijk? Een gevoel van vrede zweeft door mijn gedachten en ik val in slaap.
*Nachtopvang in zelfbeheer
- Met Simon.
Is er nog plek voor vannacht?
- Even kijken. Er zijn nog vier plekken en je hebt nog een half uur om hier te komen. Voor negen uur.
Ok. Dankjewel. Tot straks.
Ik trek een oude trui en een oude jas aan, ontdoe me van waardevolle spullen en fiets naar 'de sleep'. Onderweg koop ik een biertje om een beetje in de stemming te komen en om te zorgen dat ik wat kleingeld heb. Bij de Sleep Inn is het een drukke boel. Ik sta in de rij met tien anderen, waarvan de meesten een vaste plek hebben. Polen, Tjechen, Marokkanen, Nederlanders, Ieren en Spanjaarden. Ik verstop me een beetje achter een grote rastagozer en wacht op mijn beurt. Ik ben bang om betrapt te worden en kijk een beetje bedrukt. Het knappe meisje achter de balie kijkt me medelijdend aan en ze vraagt of ik nog een bord eten wil. Ze kijkt op de lijst. "Helaas. Je bent nummer 71 en we zitten vol. Maar ik ga nu even bellen met het Leger des Heils om te vragen of daar nog plek is. Je kunt sowieso ergens terecht. "Nee. Ik wil niet bij het Leger des Heils!" Roep ik geschrokken. Ze vraagt niet waarom en zegt dat ik dan naar de NOIZ* kan gaan. Balen. Maar ik kan nu niet meer terug. Er zijn nog vijf mensen die naar de NOIZ moeten en er wordt verteld dat we straks gebracht worden met een busje van het Leger des Heils. Oei. Dat was niet de bedoeling. Ik ben bang dat ik herkend zal worden, maar vertrouw erop dat Maarten, de chauffeur van het busje, mee zal werken. Ik pak in een hoekje mijn schrijfblok uit mijn tas en begin te schrijven. Ik schrijf vaak als ik moet wachten. En nu wil ik niet teveel opvallen. Ik knoop geen gesprekken aan met de mensen die om mij heen zitten te eten. Plotseling komt er een Poolse jongen met een capuchon op me af. Hij wil het blok van me afpakken en vraagt: "Why are you writing? I know you! You are not good!" Ik weet dat net te voorkomen en stop de schrijfspullen gauw in mijn tas. "Thats my business" is mijn botte antwoord. Een andere medewerker is nu ook alert. Ik word geobserveerd. De Poolse jongen loopt naar buiten en smoest wat met de medewerker, die nu voortdurend mijn kant op kijkt. "Je ziet er niet uit als een dakloze. Ik vind je nogal verdacht" zegt ze tegen me. Ik sta op het punt om alles op te biechten, maar ze vraagt niet door. Het busje arriveert en chauffeur Maarten kijkt me verbaasd aan. Ik sis dat hij net moet doen alsof hij me niet herkent. Ik ga in de kofferbak van het busje met Pieter, die net een time-out heeft gekregen van de medewerker omdat hij te handtastelijk naar haar was. Het meisje van de Sleep tekent een hartje op de achterruit van het busje voordat we wegrijden. Pieter is dronken en schreeuwt over zijn FC-Utrechtsjaal, over de buitenlanders in de stad die veel respect voor hem hebben. Ik heb geen zin om te kletsen en zeg dat ik misselijk ben. Bij de Noiz worden geen vragen gesteld. Ik krijg een bed op een kamer met zeven anderen. Ik blijf nog even in de huiskamer en blader in een motorblad dat op een tafel ligt. Er zitten nog zo'n twintig mensen tv te kijken, te roken en te blowen. De Poolse jongen is ook meegekomen en hij gaat naast mij aan een tafeltje zitten. Hij vertelt dat hij een alcohol- en drugsprobleem heeft. Ik vraag waarom hij niet naar zijn familie in Polen gaat tijdens de kerstdagen. Hij heeft geen geld en hij heeft teveel problemen. Ik vraag waarom hij zijn capuchon ophoudt. Hij antwoordt goudeerlijk: "because I steal".
Ik ga op tijd naar bed en staar over het water van de Keulse Kade. De straat is verlaten. Aan de lantaarn voor het raam hangen dikke besneeuwde spinneslierten. Ze glinsteren in het licht. Het is vannacht de langste nacht van het jaar. De witte wereld wordt beschenen door een bleek maantje. Mijn bed is opgemaakt door de medewerkers van de Noiz. Het bed is prima. Ik lig op een plastic waterproof matras. Mijn kussen ruikt een beetje naar oud zweet. Mijn onderbuurman is nogal bewegelijk en af en toe laat hij een scheet. Ik zie de schimmen van de andere mannen op mijn kamer. Af en toe komt er iemand bij. Tegenover mij valt iemand met zijn kleren aan in slaap. Niemand bemoeit zich met elkaar. Als iedereen slaapt, blijf ik nog een tijdje wakker liggen.
Zo voelt het dus om genadebrood te eten en als zwerver te worden behandeld. Dit was wat ik wilde weten. Daarom doe ik dit. Het voelt heel gewoon. Medewerkers zijn aardig. Ik dacht altijd dat er een lijn liep tussen mij en die anderen. Die anderen waren de daklozen en de zwervers. De mensen die bij het Leger des Heils binnenlopen. Clienten die ik maar al te goed ken, omdat ik er al drie jaar bij het Leger mijn geld verdien als groepsbegeleider. En nu ben ik voor één nachtje over de lijn gestapt. Welke lijn eigenlijk? Een gevoel van vrede zweeft door mijn gedachten en ik val in slaap.
*Nachtopvang in zelfbeheer
donderdag 20 december 2007
Stille nacht
Het is bijna kerst. Buiten is de sneeuw al aan het vallen. Op straat klinkt het 'Stille nacht'. 'Heilige nacht.' Het wordt gezongen door de autobanden die de natte sneeuwmodder vergruizen. Het wordt gezongen door een kerkklok in de verte die zijn vertrouwde klop over de stad laat horen. Het wordt gezongen door de duizenden takken die geduldig het laagje sneeuw verdragen dat hen door de wolken is toebedeeld. Het wordt gezongen door de stomme logo's met hun stomme schijnsels bovenop bedrijfspanden. Het wordt gezongen door vensterbanken die een beetje licht uitwaaieren, door een rood achterlichtje dat schommelend zijn weg zoekt over het fietspad. Het wordt gezongen door de verlaten bouwplaats, waar het metaal zo koud is geworden dat er geen beweging meer in is te krijgen. Er vliegt een sneeuwbal door de lucht. Een stoplicht springt op rood. De mensen hebben zich verschanst. Ze zitten in hun stulpjes, flatjes, huisjes en soms ook in grote villa's. Pakhuizen van geluk, warmte en verveling.
'Stille nacht.'
'Stille nacht.'
Abonneren op:
Posts (Atom)